|
|
Vaak Voorkomende Vragen (FAQ)
versie 1.0
Jaap van Rees, mei 2004
Vaak voorkomende vragen over Informatieruimten:
-
Wat is - kort en bondig - een Informatieruimte?
Zoals een fysieke ruimte wordt begrensd door muren wordt een informatieruimte begrensd door informatietechnologie. De informatieruimte begint bij het beeldscherm dat u waarneemt en eindigt bij het toetsenboord waarmee u gegevens invoert. Wat u doet met de waargenomen gegevens (eigenlijk de data) vindt plaats in uw informatieruimte. Tot u de resultaten van uw handelingen aan andere gaat tonen door ze in een systeem in te voeren.
-
Kan een Informatieruimte ook technologische hulpmiddelen bevatten?
Ja, maar slechts voor eigen gebruik. Bijvoorbeeld een vel papier waarop iets wordt geschreven om het zelf weer terug te kunnen lezen. En dat mag natuurlijk ook een 'electronisch vel' zijn. Zodra het vel wordt gebruikt om een persoon in een andere informatieruitme iets te tonen wordt het een toonvenster.
-
Vormt een Informatieruimte zich als het ware om een mens of groep mensen en de technologische hulpmiddelen die zij gebruiken heen?
Je zou kunnen zeggen dat een mens of een groep mensen zich in een informatieruimte informatisch bewegen. Zoals je je ook in een fysieke ruimte vrij kan bewegen.
Voor het begrip informatieruimte geldt overigens hetzelfde als voor het begrip systeem: we kunnen iets als informatieruimte beschouwen als we dat nuttig vinden. Het begrippen kader is gereedschap om de wereld om ons heen te beschouwen en te begrijpen.
-
Hoe moet ik me - bijvoorbeeld - de Informatieruimte voorstellen die zich als www.detelefoongids.nl manifesteert?
Dat is een mooi voorbeeld. Bij detelefoongids.nl kijk je vanuit jouw informatieruimte naar een scherm, dat is dus een kijkvenster. Wanneer we de weg terug volgen en nagaan hoe dat scherm is ontstaan, dan komen we uiteindelijk bij een ander scherm dat iemand heeft ingevuld. Dat is het toonvenster. Dat toonvenster bevindt zich in een andere informatieruimte. Je kijkt dus "dwars door alle technologie" of beter met behulp van alle tecnologie in een andere informatieruimte. Op een ander tijdstip, want mijn telefoonnummer is meer dan tien jaar geleden door een medewerker van KPN ingetoetst. Die KPN medewerker had vermoedelijk een formulier voor zich. Een deel van dat formulier had ik ingevuld. Een ander deel was ingevuld door een andere KPN medewerker. We hebben hier dus te maken met vier informatieruimten: 1: de IR van degene die www.detelefoongids.nl bekijkt. 2: de informatieruimte waarin de gegevens in het systeem werden ingevuld. 3: de informatieruimte van degene die de telefoonaansluiting heeft aangevraagd. 4:de informatieruimte van de KPN medewerker die het telefoonnummer heeft toegekend.
In het huidige systeem van KPN gaat dat anders. Nu kan ik bijvoorbeeld een wijziging doorgeven door een formulier op internet in te vullen. Dat is een toonvenster. Degene die mijn telefoonnummer opzoekt kijkt dan voor een deel van de gegevens in het kijkvenster in mijn informatieruitme en voor een ander deel in een informatieruimte van KPN. Je zou ook kunnen zeggen dat dat scherm eigenlijk bestaat uit twee kijkvensters.
De regel is dus: volg vanaf het beeldscherm de weg die de data door de IT-systemen heeft afgelegd tot je bij een menselijke handeling komt. Daar is de volgende informatieruimte. In dit denken zijn we niet primair geinteresseerd in die systemen. Die verdwijnen dus in de verbindings lijnen tussen de kijk- en toonvensters.
-
Wat is een Kijkvenster?
Een kijkvenster heeft op zichzelf eigenlijk geen betekenis. Een kijkvenster is als een gat in een muur. Maar dat heeft alleen zin als dat gat uitkomt in een andere ruimte. Eigenlijk heeft slechts de combinatie van een kijkvenster dat verbonden is met een toonvenster in een andere informatieruimte betekenis. Het kijkvenster kan een televisie zijn die via een kabel verbonden is aan een camera in een andere ruimte. De camera is dan het toonvenster. Een kijkvenster geeft dus de mogelijkheid om vanuit informatieruimte A in informatieruimte B te kijken. Wat men in het kijkvenster te zien krijgt is afhankelijk van wat de personen, die het toonvenster vullen willen laten zien. Het kijkvenster kan ook een beeldscherm van een werkstation zijn dat via een systeem gegevens toont, die ergens anders, en eventueel op een ander tijdstip, op in toonvenster zijn ingevoerd.
-
Wat is een Toonvenster?
Een toonvenster is een scherm of een formulier waarin gegevens kunnen worden ingevuld, die via een systeem zichtbaar worden in een kijkvenster van een andere informatieruimte, op een andere plek op een ander tijdstip. Een toonvensters kan ook een camera zijn. Essentieel is dat een toonvenster altijd een beperkt, geinterpreteerd beeld geeft. Zo kan de televisiecamera worden gericht en meer of minder inzoomen. Dit wordt bepaald door de personen die zich in de waargenomen informatieruimte bevinden. Het inzicht dat er altijd sprake is van beperking (filteren) en interpretatie van de informatie die in toonvensters wordt getoond is een van de kernpunten van de theorie over informatieruimten. In de beperking en interpretatie komt immers de cultuur van de organisatie tot uiting.
-
Wat is een reëel venster?
Een reëel venster is niet echt een venster in de zin dat vanuit een informatieruimte als door een muur naar een andere ruimte wordt gekeken. Een reëel venster staat voor alle waarnemingen die iemand in een informatieruimte doet in de werkelijkheid. In de schematechniek is het een prettig hulpmiddel om te beschrijven welke eigen waarnemingen iemand zelf doet, om uiteindelijk de toonvensters te kunnen invullen, naast de informatie die via kijkvensters wordt verkregen.
Filosofische gezien is het wellicht juist correct om het beeld te gebruiken van een venster, want onze waarnemingen van de werkelijkheid zijn ook beperkt en worden beinvloed door onze eigen kennis, belangen en doelen. Waarnemen is ook selecteren en invullen.
-
Hoe zit het in de schema's met de factor tijd ? Ik mis een volgorde !
De plattegrond van de informatieruimten is vergelijkbaar met de plattegrond van fysieke ruimten. Daarin zijn tijd en volgorde niet zichtbaar. Er is dan ook een groot verschil tussen de plattegrond van de informatieruimten en de processchema's. De processen worden uitgevoerd in de informatieruimten. Die moeten daarvoor dus geschikt zijn. Zoals fysieke ruimten ook geschikt moeten zijn voor het uitvoeren van de processen. Een ontwerper van de informatieuimten moet de processen die daarin worden uitgevoerd dus kennen. Maar dat is niet voldoende: ook de cultuur is een belangrijke factor. Bij een proces kunnen verschillende alternatieven voor de inrichting van de informatieruimten worden ontworpen. Welke van die alternatieven het best past bij de betreffende organisatie wordt bepaald door de cultuur. Ook dit is niet anders dan bij het inrichten van de fysieke ruimten.
-
Wat moet ik met organisaties die informatieverwerking als hoofdproces hebben? Er lopen dan twee niveaus van informatieverwerking door elkaar. Hoe komt dat tot uiting in de kijk- en toonvensters ?
Zuiver theoretisch gezien moeten er twee verschillende schema's worden gemaakt. Een schema waarin het hoofdproces als informatieverwerking wordt beschouwd en een schema waarin het hoofdproces als reëel proces wordt beschouwd.
In het schema waarin het hoofdproces als informatieverwerking wordt beschouwd wordt de meta-informatie weggelaten. De kijk- en toonvensters beschrijven dan de inhoud van het hoofdproces.
In het schema waarin het hoofdproces als fysiek proces wordt beschouwd gaan de kijk- en toonvensters over dat proces, de meta-informatie. De reële vensters zijn dan waarnemingen aan dat proces.
Men mag bij het gebruik van dit soort schema's echter nooit het doel uit het oog verliezen. Voor de beeldvorming door niet-informatiekundigen, zoals gebruikers, opdrachtgevers en IT-ers, kan dit verwarrend zijn. Een goede strategie kan dan zijn om eerst voor jezelf en je vakgenoten twee verschillende plattegronden te maken en deze daarna ten behoeve van de beeldvorming bij niet-vakgenoten in elkaar te schuiven. Het onderscheid tussen de verschillende niveaus kan eventueel in verschillende kleuren van de verbindingslijnen tussen kijk-en toonvensters tot uitdrukking worden gebracht.
-
Kan een informatieruimte volledig geautomatiseerd zijn ?
Nee! Een dergelijke informatieruimte zou niet zichtbaar zijn. Het is een systeem en verdwijnt dus in de verbindingslijnen. Volg het spoor terug tot je bij een toonvenster bent aangekomen.
(In het antwoord op een latere vraag hieronder gaan we in op de situatie waarin het systeem metingen doet aan de werkelijkheid.)
-
Waar zit de database?
Er zijn twee plaatsen waar een database kan voorkomen. In een systeem dat tussen de kijk- en toonvensters zit. Dus in de schema's in de verbindingslijn. Of in de eigen informatieverwerking binnen een informatieruimte. Maar eigenlijk is dit een niet relevante vraag, want in de mens-centrische benadering kijken we niet naar technologie.
Bij het bespreken van de inrichting van een kamer kijken we ook niet naar de draagconstructie van de vloeren en de muren.
-
Waarom spreek je van een datasysteem, en niet van een informatiesysteem?
De term informatiesysteem is vaak gebruikt om de mens in het technologische denken een plaats te geven. Daaruit ontstonden discussie als: zit de gebruiker nu wel of niet in het informatiesysteem ? Om daaraan een einde te maken onderscheiden we dataverwerking (dataprocessing = het vakgebied van de IT-ers) en informatievoorziening of informatieverwerking (het vakgebied van de informatiekundige). De dataverwerking bestaat uit datasystemen. Die houden op bij het beeldscherm en beginnen bij het toetstenbord.
-
Kan ik via een venster ook data zien?
Dat hangt af van het venster waardoor je kijkt. Via een kijkvenster kan je geen data zien. Je gaat dan immers door tot een toonvenster. Kijk je echter door een reëel venster dan kan je wel data zien. Die data beschouw je dan als werkelijkheid. Je kan bijvoorbeeld zien dat een bepaalde boodschap is binnengekomen, zonder naar de inhoud te kijken. Meta-informatie dus.
-
Zijn toonvensters alleen geschikt om toestanden te beschrijven of kan ik ook dynamische verschijnselen laten zien ( zie ik processen?)
Een toonvenster kan een televisiecamera zijn, die onvertraagd beelden opneemt en door stuurt. Op die manier kunnen processen worden bekeken in het kijkvenster, dat met dat toonvenster is verbonden..
-
Voor wie zijn die schema’s bedoeld?
De schema's voor het beschrijven van een plattegrond zijn in eerste instantie bedoeld voor de informatiekundigen. Zij beschrijven er mee hun beeld van de indeling van de totale informatieruimte van een gebouw in deelruimten. Net als bij de plattegrond van een gebouw blijkt het mogelijk om deze schema's met gebruikers de bespreken en zelfs samen met hen op te bouwen. Het is niet verstandig om daaraan theoretische verhandelingen over informatieruimten vooraf te laten gaan. Dat doet een bouwkundig architect ook niet bij het bespreken van de indeling van een huis met zijn klanten. De eerste ervaringen leren dat gebruikers intuïtief aanvoelen wat met een plattegrond wordt bedoeld. Beter dan bij de plaatjes die IT-ers tekenen herkennen zij zichzelf en hun eigen positie in deze schema's.
-
Voor welke fase van het ontwerpproces zijn die schema’s ?
De schema's kunnen worden gebruikt bij de eerste beeldvorming over de bestaande of over de gewenste inrichting van de informatievoorziening. Voorafgaand dus aan het kiezen van de indeling in datasystemen en het opstellen van de specificaties daarvoor.
-
Wat is het verband met UML schema’s ?
UML-schema's zijn bedoeld voor het specificeren van datasystemen. De plattegrond van de informatievoorziening gaat daaraan vooraf.
-
Kan ik het ook gebruiken voor documentatie van de bestaande informatievoorziening?
Ja. Ik kan mij voorstellen dat topmanagers zullen schrikken wanneer zij zien hoeveel informatieruimten, met de bijbehorende interpretatie stappen, er tussen hen en de werkelijkheid zitten. Wellicht zouden sommige van de financiële schandalen in de grote concerns niet hebben plaatsgevonden als de topbestuurders dit inzicht hadden gehad.
-
Gaat data altijd één kant op ( lamellen naar oog), of ook wel eens de andere kant.
Ja, het gaat altijd een kant op van toonvenster naar kijkvenster. Maar er is natuurlijk geen bezwaar tegen als de tonende informatieruimte ook een kijkvenster heeft dat verbonden is met een toonvenster in de oorspronkelijk kijkende informatieruimte. Dit is te zien in de schema's van de casussen, die op de pagina Voorbeelden zijn uitgewerkt.
-
Wat gebeurt er als de lamellen van een toonvenster dichtgaan? Is daar ook een symbool voor.
Naast de plattegrond zal een uitvoerige beschrijving moeten worden gemaakt van de kijk- en toonvensters. Vooral bij het beschrijven van de toonvensters zullen de condities en beperkingen van de te tonen gegevens nader moeten worden beschreven.
-
Hoe verkoop ik aan mijn management dat er informatieruimtes zijn in hun organisatie waar zij geen toegang toe hebben?
Door de volgende vragen te stellen:
Hoe zouden uw medewerkers reageren wanneer in alle ruimten waar zij zich kunnen bevinden televisiecamera's en microfoons worden geplaatst, die allemaal zijn verbonden met monitoren in uw kamer? (Big Brother dus)
Wat denkt u dat er zal gebeuren indien u in aanwezigheid van uw medewerkers in hun bureauladen, kasten en computerbestanden gaat zoeken?
Hoe zou u reageren als een van uw mede directeuren of een lid van de Raad van Commissarissen dit bij u zou doen?
Wellicht is daarna een gesprek mogelijk over de cultuur van de betreffende organisatie.
-
Kan iemand in een kijkvenster ook naar een toonvenster kijken in zijn eigen informatieruimte ? Dus een toonvenster dat hij zelf heeft ingevuld.
Een kijkvenster dat leidt tot toonvenster in dezelfde informatieruimte wordt niet in de plattegrond weergegeven. Dit kan wel worden beschreven wanneer de betreffende informatieruimte nader wordt gedetailleerd. Het begrip informatieruimte is immers recursief. In het voorbeeld van de autodealer zien we dat de dealer organisatie in de overzichtsplattegrond als een informatieruimte wordt beschouwd. Daarin zien we slechts de kijk- en toonvensters die zijn verbonden met de informatieruimten van de klant en de importeur. In de gedetailleerde plattegrond van de autodealer komen de interne informatieruimten te voorschijn en de onderlinge kijk- en toonvensters.
-
Waarom is er met de introductie van het concept Informatieruimte sprake van een paradigmaverschuiving?
We proberen los te komen van het denken waarin de technologie centraal staat. In het mens-centrische denken is de technologie ondergeschikt. Het is eigenlijk niet zo dat de introductie van het concept informatieruimte een paradigmaverschuiving teweegbrengt. Het is andersom. We hebben behoefte aan een ander paradigma en daaruit ontstaat de behoefte aan een nieuw begrippenkader, dat de paradigma verschuiving ondersteund. Maar dit is natuurlijk een kip-ei-probleem. De kern is dat het denken over informatievoorziening in organisaties tot nu toe werd gedomineerd door het denken over informatietechnologie. Het kost moeite om daarvan los te komen. Dat is typerend voor paradigmaverschuivingen.
-
Wat wil je in essentie bereiken met de introductie van het concept Informatieruimte? Wat missen we zonder dit concept? Welke problemen ontstaan er als we dit concept negeren?
Na het lezen van het werk van Christopher Alexander, die zich bezighoudt met ontwerppatronen voor de fysieke ruimte, ontstond het inzicht dat wij behoefte hebben aan vergelijkbare ontwerppatronen voor de informatievoorziening. De IT-wereld heeft het werk van Christopher Alexander uitvoerig overgenomen. Vooral de Design Patterns beweging noemt Christopher Alexander als hun grote voorbeeld en soms zelfs de grondlegger van hun beweging. Zij praten echter niet over de mens, als gebruiker van de informatietechnologie, maar over de mens als ontwerper van toepassingen van de informatietechnologie. Dit is volledig in strijd met het denken Christopher Alexander, die juist de beleving van de gebruikers van bouwkundige constructies centraal stelt. Zolang we geen begrip hebben dat vergelijkbaar is met het fysieke begrip ruimte zullen we ook niet in staat zijn om te praten over de beleving van de kwaliteit van die ruimte en dus ook geen kennis kunnen opbouwen - in de vorm van ontwerppatronen - voor het ontwerpen daarvan.
-
Wat zijn technologische hulpmiddelen?
Onder technologische hulpmiddelen verstaan we in feite alle hulpmiddelen voor het vastleggen en transporteren van data. Van pen en papier tot databases, draadloze netwerken en mobiele telefoons.
-
Enerzijds wordt gezegd dat een Informatieruimte een buitenruimte is (een ruimte tussen gebouwen in), anderzijds wordt gesproken over i-plek, i-kamer, i-gebouw (ruimten in gebouwen). Dat is wat verwarrend. Hoe zit dat nu?
Het gebruik van een analogie om iets duidelijk te maken heeft altijd het gevaar van te letterlijke interpretatie. Het voorbeeld van de buitenruimte was slechts bedoeld om erop te wijzen dat er een moment komt waarop tussen constructies, die bewust zijn ontworpen, restruimten ontstaan, die bij nader inzien ook bewust hadden moeten worden ontworpen. Dat is het geval bij gebouwen en nu ook bij systemen. In het verdere denken over informatieruimten blijkt de analogie met de inrichting van een gebouw en van de ruimten binnen een gebouw vooralsnog doeltreffender. De binnenarchitectuur dus.
-
De verbindingslijnen in de schema's staan of voor het kijken (via een datasysteem) in een andere informatieruimte, of voor het waarnemen van de werkelijkheid. Maar wat gebeurt er wanneer iemand via een technologisch hulpmiddel naar de werkelijkheid kijkt? Bijvoorbeeld een buitenthermometer met een zendertje ? Of een infrarood oog dat voorbijgangers telt ? Of een camera boven de weg die te hard rijdende autos flitst en registreert?
De schematechniek voorziet hierin nog niet. Voor het kijken naar de werkelijkheid via een datasysteem zal een nieuw symbool worden toegevoegd. Het bestaande symbool voor waarnemen van de werkelijkheid is hiervoor niet bruikbaar. Er is immers een groot verschil tussen de menselijke interpretatie van de werkelijkheid en de in een systeem ingebouwde beperkingen bij het meten aan de werkelijkheid.
-
-
|
|